HISTORIEK Davidsfonds Bellem

In 2022 bestaat onze afdeling 80 jaar.

Naar aanleiding van dit jubileum brengen we hieronder een overzicht van deze boeiende periode, zoals het werd uitgeschreven door huidig bestuurslid en erevoorzitter Eric Van Nevel in het eerste nummer van de eerste jaargang van de ‘De Belle’, tijdschrift van Heemkring Emiel Mettenanxt en Davidsfonds Bellem (januari 1988).

 

1875 – 1988

…meer dan honderd jaar jong: het Davidsfonds, een vereniging voor sociaal-cultureel werk, drukkingsgroep in de Vlaamse Beweging, getrouw aan zijn leuze “Voor Godsdienst, Taal en Vaderland”. André Demedts heeft ooit in één volzin de betekenis van het DF omschreven: “Indien het DF er niet was geweest dan was Vlaanderen minder Vlaams en waren wij allemaal cultureel een stuk armer”.

Het DF Bellem werd op 12 februari 1942 opgericht, midden de woelige oorlogsjaren. Aan de basis daarvan lag onderpastoor Poecks, die als onderpastoor te Overmere de werking van het DF had leren kennen. Op 16 januari 1942 richtte hij een brief aan het hoofdbestuur in Leuven waarin stond: “Wij denken er aan ook hier een afdeling van het DF op te richten, vooral met het oog op de verspreiding van gezonde lectuur…”.

Van bij de aanvang vinden wij bij het bestuur de naam terug van Emiel Mettenanxt, alsdan voorzitter, van beroep spoorbediende. Andere pioniers waren: secretaris Gerard Van der Vennet, van beroep kleermaker; en bestuursleden André Van Lantschoot, drukker; André Van Daele, onderwijzer; Urbain Heyndrickx (nvdr: Urbain werd onlangs 107 jaar), landbouwer en Jozef Lootens († 2003, nvdr: tevens vader van huidig voorzitter Christian Lootens), bakker. Er werd gestart met 74 leden, waarvan er 14 overkwamen van Aalter.

In de week van 20 juni 1943 stond in het “Bellemsch Hoekske”, het toenmalige parochieblad: “Het bestuur van het DF heeft besloten een toelage te verleenen aan de openbare Boekerij van onze parochie. Op die manier werden er 29 nieuwe boeken gekocht, die binnenkort ter beschikking zullen staan van onze lezers. Kristene menschen werpen alle slechte lektuur in ‘t vuur en lezen alleen goede boeken…”.

Dat het niet altijd van een leien dakje liep zal wel niemand verwonderen. De start met 74 leden was niet niets. In 1943-1944 werden dat er respectievelijk 91 en 93. Het einde van de oorlog, met de nasleep van de repressie, had slechter kunnen zijn voor het ledenaantal maar in 1945 waren het er toch nog 79. Eind 1945 werd E. Mettenanxt voorzitter en dit tot 1956. 

 Na 1945 echter daalde het ledenaantal gestaag en zo waren er in 1954 nog amper 35. Toen was het onderpastoor De Paepe die daaraan iets poogde te verhelpen. De culturele animatie-avonden van 1954 en 1955 werden voor de helft verzorgd door eigen betsuursleden. Zo hield voorzitter Mettenanxt op 14 december 1954 een voordracht over “Het schone Bellem” en onderpastoor De Paepe gaf op 11 november 1955 dia’s over hetzelfde onderwerp. De onderpastoor had het later nog eens over “Vlaanderens strijd”, opnieuw geïllustreerd met lichtbeelden. Ook “De Loge” werd door E.H. De Paepe besproken. E. Mettenanxt vertelde over de gebeurtenissen “Uit het grijs verleden”.

 Ondanks deze lovenswaardige pogingen bleef heropleving achterwege. In 1956 nam dr. Raf Van Heirreweghe, oud-gouwleider van de K.S.A. Oost-Vlaanderen, het voorzitterschap over. E. Mettenanxt bleef in het bestuur als secretaris. Eind december 1956 werd onderpastoor De Paepe overgeplaatst. Hij werd als proost opgevolgd door E.H. F. De Troyer. Verder maakten van het zevenkoppig DF-bestuur op 15 januari 1957 nog deel uit: Cyriel Lootens, Roger Bosschaert, Urbain Heyndrickx en Irené Mortier. Tot in de tweede helft der vijftiger jaren bleef het ledenaantal stagneren rond een veertigtal. Daarna ging het weer in dalende lijn tot dertig in 1965.

Inmiddels had Guido De Clercq de taak van secretaris aanvaard, in plaats van E. Mettenanxt. In 1972 was het ledenaantal aangegroeid tot 57. Dat jaar werd het bestuur aangevuld met enkele jongeren, die de opgang wisten te bewerkstelligen. Het waren secretaris Roger Morthier, Hugo De Clercq, René Laroy, Etienne Standaert, Frieda Van Daele, Patricia Van Lantschoot en Eric Van Nevel die toen samen met dr. Raf Van Heirreweghe, Cyriel en Jozef Lootens het bestuur uitmaakten. Het oprichten van een eigen toneelgroep in 1973 heeft de DF-opgang mede gestimuleerd. In 1980 hadden we 90 leden en in de volgende jaren was het weer hard werken om dat getal te behouden. Sedert 1986 zijn de vooruitzichten weer rooskleuriger en zo telt de vereniging momenteel om en bij de 100 leden. Eind 1987 werd dr. Raf Van Heirreweghe, na ruim dertig jaar voorzitterschap, opgevolgd door Eric Van Nevel, die dit overzichtje samenstelde.

 

De Davidsfonds Bellem-voorzitters op ‘n rijtje

Emiel Mettenanxt

1942 – 1956

Dr. Raf Van Heirreweghe

1956 – 1987

Eric Van Nevel

1987 – 2017

Christian Lootens

2017 – heden

Beeldarchief

De eerste bestuursleden

Pastoor Poecks

André Van Daele

Emiel Mettenanxt

André Van Lantschoot (links op de foto)

Cyriel Lootens (midden)

Urbain Heyndrickx en Jozef Lootens

Huidig voorzitter Christian en zijn vader Jozef Lootens

Jozef Lootens

Het bestuur anno 1985

v.l.n.r. Maurits Verdonck, Hugo De Clercq, Erik Van Nevel, Walter Vervalle, Robert Van de Walle, Raf Van Heirreweghe, Christiaan en Cyriel Lootens, Ronny en Remi Lippens.

Op de planken in bellem

Tien jaar toneel bij het Davidsfonds

Artikel uit ‘Land van de Woestijne’, tijdschrift van de Heemkundige Kring ‘Arthur Verhoustraete’, Aalter  – 40e jaargang, nr.3, 2017

De titel van dit artikel vraagt op zijn minst een beetje uitleg. Vroeger, en zeker tot 1970, had ieder dorp een plaatselijke toneelbond. Toen men aan iemand de vraag stelde of hij zich een vroegere toneelspeler herinnerde, was het antwoord: “Natuurlijk, hij heeft hier jaren op de planken gestaan.”

Meestal vonden deze voorstellingen plaats in de parochielokalen waar de bestuurders de richtlijnen van mijnheer pastoor dienden te respecteren. Zo mocht er vroeger in de meeste parochiezalen geen gemengd toneel worden gespeeld. Wanneer een vrouwenrol in het toneelstuk niet te vermijden was, werd die rol gespeeld door een man.

Op toneelgebied was Bellem geen uitzondering. Het heeft decennia lang een bloeiend toneelleven gekend, soms afgewisseld met een cabaretvoorstelling.

Voor de Tweede Wereldoorlog nam de toenmalige onderpastoor van Bellem meestal het initiatief om ieder jaar voldoende Bellemnaren te vinden om een toneelstuk op te voeren. Na de oorlog en dit tot ongeveer 1960 waren het de leden van K.A.J. en de Boerengilde die zorgden voor toneelplezier.

In 1970 werd ik lid van het plaatselijke Davidsfonds waar mijn schoonbroer Roger Morthier als secretaris fungeerde. Enkele jaren later vroegen ze mij om vanuit het Davidsfonds een toneelopvoering te verzorgen om de plaastelijke kas te spijzen. Roger wist natuurlijk dat ik in mijn geboortedorp Wielsbeke jarenlang toneel had gespeeld en dat ik ook een cursus in regie had gevolgd.

Uiteindelijk mocht ik op zoek gaan naar een blijspel dat een voltreffer moest worden om de Bellemnaren opnieuw op de planken te zien verschijnen. Het werd ‘De Wonderdokter’, een klucht van Jos Janssen. Het stuk speelt zich af in de periode dat de kwakzalvers van vroeger het moesten afleggen tegen de praktijk van de moderne geneesheer. Een groep van rond de twintig, zowel enkele vroegere toneelratten als nieuwkomers, gaf zijn fiat om onder regie van mezelf het toneelleven in Bellem een nieuwe kans te geven.

Het werd een daverend succes en onze kas was meteen goed gevuld. De toegangskaarten waren na een week uitverkocht. Het programmablaadje werd goed verkocht en  de minibar in de zaal draaide op volle toeren. Door de onbezoldigde medewerking van enkele medewerkers werden de kosten ook tot een minimum herleid.

Er waaide een nieuwe wind door het Davidsfonds dat nu in de komende jaren de kans zag om enkele Vlaamse vedetten van toen uit te nodigen naar Bellem, zoals Willem Vermandere en Zjef Vanuytsel. Gevolg: succes bij de spelers en het bestuur en een oproep van het publiek om volgend jaar opnieuw op de planken te staan, liefst met een blijspel. Ik moest op zoek gaan naar een klucht die eventueel het succes van ‘De wonderdokter’ kon evenaren. De keuze viel uiteindelijk op ‘Antje’ van Anton Hamik. Het was het verhaal van drie vrijgezellen die op zoek waren naar een meid uit de stad en plots beseften dat Antje hun harten sneller deed slaan.

Opnieuw twee keer een bomvolle zaal en we waren verplicht twee derden van het zaaltje met genummerde plaatsen in voorverkoop aan te bieden. Dit parochiezaaltje bood een beperkt aantal plaatsen, voor ongeveer 125 toeschouwers. We speelden dan ook twee keer het toneelstuk, het ene weekend op zaterdagavond en het volgende weekend op zondagavond. Aanpalend aan de zaal was er een klein lokaaltje waar we werden gegrimeerd en waar we ons konden verkleden. De tafel en de stoelen lagen vol met allerlei kledingstukken en attributen voor de opvoering, onze drank en twee manden pistolets waren ook van de partij. Gelukkig was er toen minder controle van de brandweer of de overheid. Ondertussen is die zaal afgebroken en staat er nu vlakbij het Gemeentelijke Ontmoetingscentrum van Bellem.

Hoe verliep zo’n repetitie? Tijdens de korte winteravonden van de maanden november, december, januari en februari werd er tweemaal per week een repetitie gehouden, meestal van half acht tot negen uur, om daarna in een van de twee toenmalige cafés op Bellemdorp te belanden, ofwel bij Luc en Bernice in het Hof ter Linden ofwel bij Carine Semaesse waar nu het Karrewiel is. Werner Maes moest altijd eerst naar huis, omdat hij als postbode vroeg uit de veren moest. Het waren meestal dezelfde personen die een rondje bestelden.

Bij de start van het derde seizoen kon ik het bestuur en spelers overtuigen om ook eens een drama te spelen. De keuze viel op ‘Kinderen van ons volk’ van Antoon Coolen. Het was een bekend drama dat reeds door tientallen liefhebberskringen in Vlaanderen ten tonele werd gebracht. Deze voorstelling werd ook door een overgroot deel van het publiek gewaardeerd.

In februari 1976 werd er op aangedrongen om een klucht op de planken te brengen. Het werd ‘De Blijde Begraving van Klakke Verdoest’, een meesterwerk van Gaston Martens, de geliefde en bekende volksschrijver uit Zulte. Er was echter een groot probleem; geen enkele toneeluitgeverij had nog speelbrochures van dit toneelstuk voorhanden. Gelukkig kreeg ik het adres van een kleindochter van de auteur. Zij woonde langs de Leie in Deurle. Ze werd gecontacteerd en al vlug mochten we bij haar thuis het originele werk van haar grootvader kopiëren. Etienne Huysman klaarde deze klus en bracht het boekje mee naar Bellem.

Dit werd een geweldig succes. We zijn deze vertoning zelfs in de ‘Nieuwe Wandeling’ in Gent gaan opvoeren. Zo’n meelevend publiek zijn nergens meer tegen gekomen. Het was natuurlijk een ganse karwei om deze opvoering mogelijk te maken. Er waren strikte regels om al ons materiaal, decor en spelers van buiten de gevangenis naar binnen te brengen en vice versa. Het was de periode dat onderzoeksrechter Jespers en nog enkele bekenden uit de streek opgesloten zaten.

Ondertussen was onze toneelgroep bekend geraakt in de streek. We werden door verschillende bonden uit de omgeving gevraagd om op te treden tegen een vriendenprijsje. Met medewerking van mijn schoonzus Marie-Jeanne Morthier, die les gaf in de school van Bellem en in Eke woonde, werden we uitgenodigd door de plaatselijke K.A.V. Het volgende seizoen werd opnieuw een klucht overwogen. Uiteindelijk viel de keuze op ‘Geen uitkomen met het inkomen’ van Fritz Wempner.

Eén keer was onze jaarlijkse toneelavond verdeeld in twee kleinere optredens, zoals blijkt uit de tekst van de uitnodigingen.

Ook verenigingen en bonden van Bellem en Aalter deden een beroep op de acteerkunst van onze toneelgroep. Zo ook de lokale bond van de gepensioneerden van Bellem. Op hun jaarlijks ledenfeest speelden we voor hen de eenakter ‘Liefde in het kippenhok’.

Deze kluchtige eenakter was ook de hoofdschotel op het jaarlijks souper van ‘De Vriendenkring van het Spoor’ van Aalter in de gemeentezaal van Lotenhulle.

In die periode bestond er een boeiende overkoepelende cultuurkring in Aalter onder de auspiciën van het Davidsfonds, de Vermeylenkring en de Goossenaertskring. Ze waren de bezielers van de jaarlijkse 11 juli-vieringen en besloten in de zomer van 1980 een beroep te doen op de drie bestaande toneelverenigingen van het pas tot stand gekomen Groot-Aalter. Naast onze toneelgroep van het Davidsfonds van Bellem werden ook ‘Vlaanderens zonen’ uit Lotenhulle en ‘De ware vrienden’ van Aalterbrug aangeschreven om elk een eenakter op te voeren in het domein van het pas aangekochte kasteel van Poeke. Bellem besloot mee te werken en ik als regisseur vond de klucht ‘Leentje uit het hemelrijk’ van Gaston Martens het ideale stuk om te kunnen wedijveren met de twee andere lang bekende toneelgroepen. De opvoeringen vonden plaats in openlucht op de weide achter het kasteel. Het was geen competitie maar de talrijke aanwezigen vonden onze eenakter met zijn spelerstalenten het best.

Helaas, na ongeveer een dikke tien jaar bestaan van deze bloeiende toneelgroep in de schoot van het plaastelijke Davidsfonds, kwamen nu en dan reeds enkele pijnpunten naar boven. Sommigen dachten aan een andere, en volgens hen, betere rolverdeling in de toekomst. Ook werd hier en daar de vraag gesteld waar het geld naartoe ging. Alles stond onder voogdij van het bestuur van het Davidsfonds en wij als toneelvereniging hadden daar geen kijk op. Zo werd er geopperd om een aparte vereniging op te richten. Het werd een discussie zonder einde en een meerderheid besloot om onze toneelgroep te ontbinden.

Enkele jaren later zal er in de schoot van Caracalla een nieuwe toneelgroep van start gaan die het tot op heden ieder jaar klaar krijgt nog een voorstelling te brengen.

Auteur : Walter Vervalle

Foto’s Toneelgroep Davidsfonds

Share This